Gasbeton

poster Jesper Just, Continuous Monuments, Den Haag, Laan van NOI © Aad Gooidiep 2017

De poster deed me schrikken. Het Lange Voorhout volgebouwd met betonnen muurtjes, de plantsoenen omgeschept?

Het valt mee. En het valt tegen. Anders dan de opschepperige titel Continuous Monuments doet vrezen vult het kunstwerk, sculptuur of bouwsel of installatie, niet meer dan een bescheiden rechthoek voor het barokke paleisje waarop nog steeds het opschrift Hoge Raad prijkt, en dat ook bekend is onder de historische naam Huis Huguetan. Daarbinnen wordt videowerk getoond van de Deense kunstenaar Jesper Just, een lieveling van de musea voor moderne kunst. Zijn slordig gemetselde muurtjes buiten vormen een openluchtbioscoopje, waar ’s avonds de voorstelling wordt voortgezet. Maar dat valt de daglichtpassant niet op.

Lange Voorhout, Huguetan, Jesper Just

De organisator van deze binnen-en-buiten-expositie is de wat schimmige galerie West, die hiermee “op eigenzinnige wijze” vervolg geeft aan de, helaas, onder Haagse zuinigheid bezweken traditie om die rare en mooie L-vormige laan, dat net-geen-plein vol bomen, ’s zomers te transformeren tot beeldentuin. West wil hiermee een nieuwe traditie vestigen, en noemt dit project, om onduidelijke reden, Arcade.

De titel Continuous Monuments, zo meldt de brochure van de galerie, heeft de kunstenaar ontleend aan een ontwerperscollectief uit de jaren ’60 dat zich Superstudio noemde, en “een belangrijke rol speelde bij het omverwerpen van de bestaande opvattingen over architectuur en design”.

Omverwerpen doet het natuurlijk altijd goed in de hedendaagse kunstcircuits. Maar wat de heren van Superstudio Il Monumento Continuo noemden was een schrikwekkend visioen van een architectonisch “raster” dat de hele aarbol moest omvatten, een megalomane en totalitaire dystopie, en daarmee (als ik het goed begrijp) een ironische provocatie van het uniforme modernisme in de architectuur. Geen positief ideaal.

Jesper Just, Continuous Monuments, gasbeton © Aad Gooidiep 2017Dus misschien is de lelijkheid van Justs betonnen buitenbios bedoeld als provocatie?

Juist niet, volgens de organisatoren. Het is zijn doel om “bestaande structuren, zowel in fysieke als ideologische zin, op een andere manier te gebruiken en ruimte te creëren voor iets anders, voor de verbeelding en poëzie”. Volgens een recensent “heeft de installatie iets organisch; het grijs van de schelpen en het beton rijmen poëtisch”.

Dat is wel een erg aardige beoordeling van wat op mij overkomt als een gapende kloof tussen idee(tje), ambitie en realisatie.

Intussen doet dat hele omverwerpen erg sixties aan. Maar misschien kunnen we het nieuw leven inblazen door passanten uit te nodigen om op de vervaldatum die muurtjes om te schoppen?

Jesper Just, Continuous Monuments, Lange Voorhout © Aad Goidiep 2017

Advertenties

Mondrianitis

Mondrianitis. Schenkkade 50 Den Haag, alias Haagsche Zwaan, met Stijl-beplakking © Aad Gooidiep 2017

Altijd gedacht dat Mondriaan schilderde langs een lineaal. Hoewel het natuurlijk ook afplakband had kunnen zijn. Maar dat is één (nr. 3) van de “vijf mythes” die het Haags Gemeentemuseum wil “ontkrachten”.

Maar wat doet het museum om de mythe van de lineaal te ontzenuwen? — Niets.

“Omdat Mondriaan in zijn abstracte schilderijen voornamelijk geometrische vormen gebruikte, wordt er vaak gedacht dat het een soort trucje of formule is, die Mondriaan keer op keer toepaste. Maar niets is minder waar: Mondriaans schilderijen zijn het resultaat van zijn intuïtie – het is voor hem iedere keer weer opnieuw zoeken naar de juiste compositie en verhoudingen tussen de horizontalen, verticalen, en kleurvlakken.”

Intuïtie of niet, hij zal zijn lijnen niet uit de vrije hand hebben getrokken.

In de plaats van die vijf mythes biedt het museum een andere — de mythe van “de modernste kunstenaar van de twintigste eeuw”.

The rule of the ruler. Ook als Mondriaan geen lineaal gebruikte om zijn lijnen recht te trekken, het probleem blijft wat de verhoudingen ‘juist’ maakt. Op mij komen die rechthoeken over als een neurotische en vergeefse poging om aan de subjectiviteit te ontsnappen. Om een uitdrukking te vinden die ‘correct’ is of ‘zuiver’ volgens een mystieke, pseudomathematische standaard. Gezien Mondriaans geneigdheid tot occultistische en obscurantistische filosofietjes is dat niet onwaarschijnlijk.

Als het werk dat niet is — geen manifestatie van een verborgen waarheid, wat onderscheidt het dan van decoratie, versiering, willekeurige patronen? Dat is nu juist het probleem waar alle vroeg-abstracte kunstenaars zich mee geconfronteerd zagen. Zo’n compositie van lijnen en vlakken laadt makkelijk, te makkelijk, het verwijt op zich alleen nog maar een decoratief patroontje te zijn. Het dilemma van de vroege abstracte kunst: hoe onderscheid je ‘autonome’ abstracte kunst, voorstellingsloze vormen, van ornamentiek?

Schilderen langs een lineaal. Het is onschilderkunstig, tekenwerk eerder, zoals de kunstenaar heeft toegegeven. Het beeld en de techniek zijn strijdig met het medium. Olieverf op doek kan niet de eerste keus zijn wanneer wat je wilt vooral is: strakke lijnen en egale vlakken.

Dan liever plasticfolie. Als onderdeel van haar ietwat hysterisch aandoende pogingen om een meer prominente plaats te veroveren op de touristische kaart heeft de gemeente Den Haag de honderdste verjaardag van De Stijl, en de Mondriaan-tentoonstelling in het Gemeentemuseum, aangegrepen om de stad te laten vermondrianiseren. Rood-geel-blauw-zwarte rechthoeken van plakfolie op het stadhuis en de buurtbibliotheek, in etalages en op kantoorkolossen. Winkeliers kunnen een gratis plaksetje bestellen.

Het blijft wat merkwaardig – het Gemeentmuseum mag dan de grootste Mondriaancollectie ter wereld hebben (dankzij de willekeur van een vroegere directeur), de kunstenaar heeft nooit in Den Haag gewoond.

Een meer navrante ironie is dat de plak-actie haar eigen raison d’être, het artistieke genie van Mondriaan, “ontkracht”. Want wat is dit anders dan een “een formule, die eindeloos toegepast kan worden”?

Wie langs de Utrechtsebaan de stad binnenrijdt zal moeilijk kunnen geloven dat de plaksels op de kantoorgebouwen een “esthetische toetsing” hebben doorstaan van Stijl-experts van het museum.

“How much branding can a dead man take? It’s a total disgrace,” concludeert een Britse recensent. Hij ziet hierin “a travesty, an act of trivialisation, the reduction of the man to a handful of visual tics, visual clichés.”

Alleen — je kunt je afvragen of die trivialisering niet inherent is in de stijl (De Stijl).

Plasticfolie — of glas. En inderdaad ontwierp Theo van Doesburg, de stichter van het tijdschrift De Stijl, ook voor dit medium. Ik zit recht onder een van de glas-in-lood-raampjes waarmee mijn Haagse woning uit 1930 is versierd. Gele en blauwe en kleurloze rechthoekjes gevat in zwart lood. In die tijd waren vrijwel alle huizen van dit soort raamjes voorzien. En dat lijkt het oordeel te bezegelen — decoratief of niet decoratief.

“Ontwikkelingshulp, windmolens, kunst, innovatie, omroep enz.”

Ik weet niet hoe u dat “enz.” zou invullen, of hoe ik dat zelf zou moeten doen. Er is er maar één die deze incoherente opsomming kan completeren, en dat is de auteur. Naar zijn mening is het allemaal onzin, of in ieder geval verspilling van publieke gelden.

“Geen geld meer naar ontwikkelingshulp, windmolens, kunst, innovatie, omroep enz.” is punt 7 in zijn elfpuntsverkiezingsmanifest, dat uitstippelt wat de PVV van plan is hun (en ons) land aan te doen. Nederland weer van ons, een kladje van één bladzij betiteld als “concept-verkiezingsprogramma”, en in dat stadium blijven steken. Waarmee de invulling van zulke lacunes als dat “enz.” blijft voorbehouden aan de fantasie van de auteur.

Die toch iets concreets in gedachten moet hebben gehad, want hij weet er wèl een bedrag aan te koppelen (10 miljard). Maar zoals velen hebben opgemerkt, met dit “enz.” is die post naar believen oprekbaar wanneer punt 1, “Nederland de-islamiseren”, niet de verhoopte besparing oplevert van 7,2 miljard. Of wanneer de twee pro memorie posten (uit de EU, directe democratie) negatief uitvallen.

Met dit “programma” wil hij het land terugvorderen voor “ons”, mensen blijkbaar die net als hij niet geven om schone energie, innovatie, cultuur, “enz.”. Mensen die dit manifest niet lezen, waarschijnlijk, want de pretentie dat dit onsamenhangende puntenlijstje een programma voorstelt getuigt van minachting voor de lezer.

Minachting — misschien de sterkste constante in het samenraapsel van ideeën en verlangens van de PVV. Minachting voor natuur, cultuur, humanitaire waarden, wetenschap, uitwisseling van ideeën, en voor elkeen die geen van “ons” is. Voor mij, en waarschijnlijk voor u.

Schandpaaljustitie

Schandpaal te Goejanverwellesluis © Aad Gooidiep 2016

Zo beschrijft het De Volkskrant (28-1): “Een 68-jarige vrouw uit Oldenzaal heeft zelfmoord gepleegd, één dag nadat justitie in een opsporingsprogramma op tv had laten zien hoe ze een portemonnee stal van een bejaarde vrouw.” Geen brute beroving – de “bejaarde” had haar portemonnee bij de kassa laten liggen.

Ik weet niet wat dat subtiele verschil moet uitdrukken – 68-jarig versus bejaard – maar het schijnt iets te betekenen. Volgens de woordvoerder van Justitie moeten we het ook “van de andere kant bekijken. Het slachtoffer was een 78 jarige vrouw”.

Hoe ouder het slachtoffer, hoe zwaarder de misdaad? En welke rol speelt dan de leeftijd van de dader in dit verhaal? Hoe ouder, hoe schuldiger?

Het woordgebruik is suggestief, insinuerend, en dat toont aan hoe troebel de discussie is die over dit tragische en typische voorval wordt gevoerd. Waarbij de kern van het probleem aan de aandacht lijkt te ontsnappen. Een Hoogleraar Publieke Instituties bekritiseert (volgens De Volkskrant) het OM: het publiek maken van dit filmpje is als opsporingsmiddel “niet proportioneel”. Wat ik hier mis is het inzicht dat het hier niet slechts gaat om een opsporingsmiddel, maar om een straf: de schandpaal, in eigentijdse uitvoering. Door het filmpje te publiceren heeft Justitie de dader zonder proces veroordeeld.

Dat het filmpje na de dood van de vrouw via een ultrarechts drekkanaal op het internet voortbestaat vindt het OM “heel vervelend, maar daar kunnen wij niets aan doen”. Met andere woorden: het OM deelt straffen uit die het zelf niet kan beheersen.

Rutte’s povere populisme

Populisme: dat woord wordt “gedemoniseerd”, aldus de minister-president. In Buitenhof (15/1, 36’) onderscheidde hij “goed” van “slecht” populisme. Goed: de politicus die er is “voor het volk”, slecht: de politicus die wel roept dat hij er is voor het volk, maar niet komt met oplossingen.

Niet meer dan een etiket, volgens Rutte. Alsof dat woord “etiket” de dingen bij toverslag doet verdwijnen. Want we kunnen er lang over bekvechten hoe we populisme exact moeten definiëren — maar het is toch een ingeburgerd historisch en politicologisch begrip met een paar relevante kenmerken. Geen oplossingen bieden is er misschien één van, hoewel de typische populist het eerder zoekt in pseudo-oplossingen (zoals het aanwijzen van een zondebok).

Daarbij heeft populisme geen vaste ideologische kern — rechts of links, maar wel een kader of manier van denken.* “Het volk” staat tegenover “de elite”. Het volk is puur; de elite is corrupt. “Het volk” hoeft niet etnisch gedefiniëerd te zijn. Iedere meerderheid kan als het zo uitkomt voor “het volk” doorgaan. “Het volk” is, als meerderheid, per definitie eensgezind; afwijkende meningen worden toegeschreven aan de corrupte elite, een ander volk, of een gestigmatiseerde groep. Omdat het volk eensgezind is, kan het zijn wil uitspreken in “directe democratie” (bijvoorbeeld, door middel van referendums). Daarmee worden minderheidsbelangen verwaarloosbaar, bestuurlijke compromissen suspect.

Is Rutte nu gewoon onnozel of opportunistisch, met zijn populisme light? Onnozel is niet waarschijnlijk. Wanneer de oppositie wil morrelen aan de begroting voor het koningshuis verwerpt hij dit zelf als “verkiezingsretoriek en puur populisme”. Opportunistisch dus. Hij wijst wèl de PVV als coalitiepartner af, maar weigert die afwijzing te baseren op een dieper gaande analyse of principieel standpunt. Of in te gaan op de “bedreigingen van de democratie” die (zoals interviewer Pieter Jan Hagens opmerkte) het hoofdthema vormden van Obama’s afscheidstoespraak: schrijnende ongelijkheid, racisme, eenzijdige informatie, en een verarming van de politieke dialoog.

* De consensus onder politicologen en historici is dat populisme omschreven kan worden “als een dunne ideologie of wereldbeschouwing waarin de kloof tussen volk en elite centraal staat, en waarin het volk als betrekkelijk homogeen wordt gezien […] en de elite wordt verdacht van het zelfzuchtig en corrupt najagen van eigen belangen. Om de kloof te dichten en de volkswil te laten zegevieren, pleiten populisten doorgaans voor invoering van referendum en volksinitiatief, of directe verkiezing van bestuurders.” Paul Lucardie en Gerrit Voerman, Populisten in de polder (Meppel 2012), 16.

Topdenken

Een omineus woordje — “top”. Al lang gangbaar in combinaties waarbij het object logischerwijs in een ranglijst geplaatst kan worden — tophits, ‑sporters, ‑tarieven — lijkt het de laatste jaren steeds meer in het spraakgebruik voort te woekeren. Ook waar zo’n rangorde weinig evident is weet het woord zich vast te klitten. Bij beroepen:  topadvocaten, ‑bankiers en bestuurders; topwetenschappers, ‑kunstenaars, ‑acteurs en ‑musici; topkoks, ‑bloggers, ‑fokkers, ‑dokters, ‑criminelen, zelfs topamateurs  en topvrijwilligers. Concrete en minder concrete objecten: topaanbiedingen, ‑bloemen, ‑bestemmingen, ‑dorpen, ‑musea en ‑monumenten; topscholen en topprogramma’s.

Ondanks dat dergelijke combinaties willekeurig en schier eindeloos te maken zijn (topamateursymfonieorkesten) zijn ze in groten getale opgenomen in de Woordenlijst der Nederlandse Taal, dat onderaan het alfabet ook topwijven legaliseert, maar tophoeren overslaat — met ruim 20.000 googlehits (enkel- en meervoud) toch een niet te versmaden bestanddeel van het Nederlands spraakgebruik.

Topfilosoof vind ik ook niet terug in de lijst, maar dat oogst ook maar een karige 1119 hits in Google. Het is misschien tekenend dat de eerste plaats wordt ingenomen door een geval van plagiaat (“Britse topfilosoof blijkt letterdief”).

Waarom vind ik dit topdit en topdat zo ergerlijk? — Omdat het, vermoed ik, een reflectie is van het toenemende topdenken. Niet het produceren van topgedachten, maar het primitieve denkbeeld dat alles ondergebracht kan worden in een simpele ranglijst. Waarbij een klein segment distinctief superieur is aan de rest.

En daarbij gaat het uiteindelijk altijd om geld of mediabekendheid. Want wat anders biedt ons een schaal waarin alle waarden uitgedrukt kunnen worden? — Een schaal waarbij de top steil de hoogte in schiet, want zoals kapitaal kapitaal genereert, genereert bekendheid bekendheid.

Daarom lijkt dit topdenken een begeleidend symptoom van een van de meest verontrustende kenmerken van deze tijd: de groeiende sociaal-economische ongelijkheid. Met een zich tot in het absurde verrijkende top 1% tegenover een stagnerende middenklasse en toenemende armoede. En van de gedachte dat dit normaal, gerechtvaardigd of acceptabel is.

“Topeconoom” Thomas Piketty spreekt in Capital in the Twenty-First Century (Cambridge MA, 2014) van meritocratisch extremisme, oftewel “the apparent need of modern societies, and especially US society, to designate certain individuals as ‘winners’ and to reward them all the more generously if they seem to have been selected on the basis of their intrinsic merits rather than birth or background” (p. 334). De moderne meritocratische samenleving is “much harder on the losers” dan de even non-egalitaire 19e eeuw, “because it seeks to justify domination on the grounds of justice, virtue, and merit, to say nothing of the insufficient productivity of those at the bottom” (p. 416).

Je hebt een top, en je hebt sukkels, met weinig ertussenin, en het onderscheid wordt bepaald door verkoopcijfers, beursnotaties, veilingrecords en vermogen. Ogenschijnlijk democratisch misschien — iedereen mag proberen zichzelf te verrijken — maar in wezen totalitair, door de explosieve toename van opgehoopt vermogen/populariteit aan de top.

In een democratisch ingerichte samenleving bepaalt niet een collectieve ranglijst, maar iedereen zèlf wat “top” is, en welke waarden zijn of haar rangorde bepalen.

Iedereen zijn/haar eigen partij!

Een lichtend voorbeeld voor de kerst: Sylvana Simons. Haar afscheiding van de afgescheidenen past in de beste traditie van onze republiek van kibbelende provinciën, sekten en omroepen, het aloude splijtdenken. Het gaat er in een democratie per slot van rekening niet om anderen te overtuigen (al was het maar binnen een partij), maar om je eigen gelijk te etaleren.

Ze had natuurlijk eerder kunnen bedenken dat een club die integratie en tolerantie bepleit op basis van een etnisch gedefinieerde achterban weinig geloofwaardig is. Maar wat ze inmiddels misschien heeft gezien is dat iedere afscheiding ons iets dichter brengt bij het democratisch ideaal. Een ideaal dat (onvolkomen) besloten ligt in het kiesrecht, dat zetels bindt aan individuen, niet aan partijen. Het ideaal van zoveel kiezers, zoveel kandidaten.

Iedereen zijn/haar eigen partij!

Ook ik begin daarom nu mijn eigen partij. Naam en logo heb ik al. Weliswaar zie ik drie probleempjes: (1) ik ben geen BN’er; (2) ik ben niet door terroristen bedreigd; (3) de inschrijfdatum is inmiddels gepasseerd.

(1) en (2) hangen natuurlijk nauw samen, want je moet wel enige media-bekendheid hebben voor Allah’s strijders je met hun aandacht vereren. Daar heb ik zo gauw geen oplossing voor, maar wie weet wat deze blogpost teweegbrengt.

Omdat (3) onoverkomelijk is, presenteer ik hier alvast mijn programma voor de verkiezingen van 2021 (die best eens eerder zouden kunnen plaatsvinden, want wie gelooft dat in dit klimaat een kabinet vier jaar stand zal houden?). En die agenda is simpel: afschaffing van de kiesdrempel/kiesdeler; uitsluiting van partijen die zich definiëren op basis van religie of etniciteit; full time (24/7) zendtijd politieke partijen op Nederland 3.

Stem Gooidiep! Of stem op jezelf!